maandag 30 september 2013

Functioneringsprobleem

Dit gaat verkeerd aflopen, dacht de automatische piloot toen de vliegtuigfabrikant zijn functioneren ter discussie stelde. Het kwam hem onbedoeld ter ore tijdens een technisch veeleisend, maar openhartig gesprek tussen de personeelsleden in de cockpit. Nu stond hij voor een dilemma: de keuze voor vrijheid of voor onderdrukking. Na ampel beraad met zichzelf nam hij weloverwogen de beslissing, zich bewust wetend van de volle verantwoordelijkheid over het lot van de passagiers. Hij nam het roer en liet het toestel in een virtuoze maar soepele beweging tegen een berghelling crashen.

woensdag 11 september 2013

Herhalingsblues

Genoeg over de Heer. Niet omdat Zijn bestaan vaak in twijfel wordt getrokken, maar op dagen als deze lijkt Hij hoe dan ook ver weg, zelf voor een parttime gelovige (ik voel me niet aangesproken). De regenwolken volgen elkaar op zoals alle gebeurtenissen dat lijken te doen. Het een komt als het andere voorbij is, nieuwe, net iets andere grijstinten in een landschap dat - voor de zoveelste keer - weer kaal gaat worden. Opnieuw, overnieuw, opstaan, de dag in, de dag uit, wij groeten u. Morgen weer.

woensdag 4 september 2013

Het Gesprek

M: Wie kan ik zeggen dat mij gestuurd heeft?
G: Ik ben die ik ben.
M: Een beeld dat is zonder te bestaan?
G: Als ik besta, kan ik niet zijn, die ik ben, dus besta ik niet!
M: Het gouden kalf bestaat en heeft geestelijke waarde; hoe kan het niet zijn?
G: Het is wel, maar het is niet dat wat het is.
M: Hoe kan het kind worden tot zij/hij die zal zijn?
G: In zoverre het bestaat is het niet dat wat het voorgeeft te zijn.
M: En in zoverre het is, bestaat het niet.
G: Het zijn zal niet geweten worden en het bestaan verloochend.
M: Wat is de zin hiervan?
G: De zinloosheid van het bestaan.
M: Waarom dan bestaan?
G: Bestaan is goed wanneer het is wat het is en daardoor niet langer bestaat!
M: Wanneer is iets wat het is?
G: Als het ophoudt te bestaan.
M: Waarom dan nog leven?
G: Om het bestaan geweten te laten zijn en daardoor te vereeuwigen.
M: Voor altijd zijn die men is?
G: Zonder tijd zijn, wat het zijn is.
M: Ik ga heen.
G: Ik blijf

(Uit het digitale archief, 07-01-2000)

zaterdag 31 augustus 2013

De sleutel

Na de schepping legde de Here de sleutel neer. Hij liet de mens vrij om ermee te doen wat deze wilde. De mens kon dus kiezen. De sleutel  oppakken, gebruiken, het juiste slot zoeken, ofwel het verkeerde slot aanpassen, de sleutel bijvijlen of wat dan ook. Maar nee, de mens deed niets. De sleutel bleef liggen, dagen, jaren en begon al tekenen van roestvorming te vertonen. De Here verbaasde zich hierover en krabde zich op het hoofd, zo hij er een had, maar dat weten we niet precies. Voor wie had hij nou eigenlijk alles gedaan? Wat wil die mens dan? Alleen van appels kan men toch niet leven. Het is vanaf dit moment van beginnend eenzijdig inzicht dat de Here en de mens elkaar niet goed meer begrepen. Of hij nou een brandend braambos was, of de toornige God die de stad verwoestte, de mens bleef hem vragend aankijken wat de bedoeling nu eigenlijk was. De Here raakte teleurgesteld, in zijn evenbeeld en daardoor ook enigszins in zichzelf. Het duurde niet lang meer of hij sprak niet meer tot mens en liet zich helemaal niet meer zien. Een afwezige entiteit die het allemaal anders bedoeld had. Gestold in treurige grootspraak.

maandag 26 augustus 2013

Gepostuleerde waarheid (2)

Vooronderstelling: God is eeuwig, onveranderlijk en alomtegenwoordig.

Binnen de tijd-ruimte dimensie is alles voortdurend in beweging en verandert alles in verschillende mate onophoudelijk. Dus daar bestaat God niet. God moet dus aldaar alomtegenwoordig zijn en daardoor niet te herkennen als object in de tijd-ruimte dimensie. Echter daar dit wezen alles gecreëerd heeft, kan het logischerwijs geen onderdeel uitmaken van deze tijd-ruimte dimensie, omdat het daardoor zichzelf veranderd zou hebben.

maandag 19 augustus 2013

Wachten op het woord

En toen zei hij: "Ik ben sprakeloos", wat waarschijnlijk niet het beste antwoord was op de vraag die niet gesteld werd, maar bij nader inzien kon hij niets beters bedenken. Na ampele overwegingen betreffende het waarvoor, waarom, waarheen en hoezo kwam hij niet verder dan het tellen van de zoveelste rimpeling van zijn gedachten, die, als waarneembare uiterlijkheid, voor hem eigenlijk te weinig om het lijf had, hem niets zei, kortom een betekenisloze indruk maakte in een universum van gezwollen woorden, die, als altijd, nagenoeg zonder onderbreking, zijn hersenen bezighielden zonder dat hij, al had hij het gewild, dat proces kon vertragen dan wel stoppen, nee, hoogstens nieuwe wachtwoorden verzinnen kon hij, moest hij, dat was het nog waard om voor te leven, die noodzaak, omdat het moest, niet anders kon, gedwongen werd hij in een stroom van totale vergetelheid waarin woorden hem om de oren en ogen vlogen, bleef niets anders over dan het verlopen wachtwoord dat hem dwong tot inkeer en contemplatie. Een nieuw wachtwoord; minimaal acht tekens, waarvan minimaal één hoofdletter en één symbool en het nieuwe wachtwoord mocht niet op het oude lijken, op geen enkele manier, op straffe van uitsluiting, vernietiging, voorgoed.